appartement. Ik heb geen van drieën dus ga ik, om de alledaagse beslommeringen te ontvluchten, in retraite. Alle rust om aan mijn boek te kunnen werken.
Tja, daar zit ik dan in mijn tipi in Nijverdal, mijn Mongoolse yurt op Texel of toch stiekem, vooruitlopend op de bestsellerstatus van mijn boek, in een 4-sterrenhotel in Zeeland. Nee, niet Nieuw Zeeland, ik ben J.K. Rowling niet.
Ik probeer Chronos, de kloktijd, van me af te schudden. Mijn telefoon staat uit, mijn horloge ligt op het nachtkastje. Mijn maag mag eten als hij honger heeft en hoeft niet te luisteren naar wat de wijzers van de klok dicteren. Mijn ogen mogen dicht als Morpheus roept, om pas weer open te gaan als mijn muze me wakker fluistert. Hier aan de kust, de Zeeuwse kust. Het land van Bløf, mosselen en de Zeeuwse babbelaar.
Ik babbel ook heel wat weg. De eerste dagen van mijn retraite voornamelijk in mijzelf. Af en toe voegt zich een personage uit mijn boek bij me. Ontspannen leunend tegen de deurpost, slaat de vrouw mij gade. Ze schetst mijn portret en als ze bij mijn gefronste voorhoofd is aangekomen, schenkt ze me een bemoedigende glimlach. Het meisje zit op de rand van het bad en schept met haar handen het badschuim op. Schaterlachend blaast ze het sop in mijn gezicht. Maar als ik de laptop dichtklap en de TV wil aanzetten, tikt hij me op de vingers. Hij duldt geen tegenspraak en spreekt mij verontwaardigd toe: ‘Aan het werk! Schrijf ons de eeuwigheid in, maak ons onsterfelijk.’